zondag 19 juni 2011
visible green and no green only
aandacht voor multiculturele samenleving
Visible green and no green only
Het kosmopolitisch zelfbeeld, de internationale reputatie van groen onderwijs en de sector staan op het spel als men alleen gericht is de groene cultuur en het exclusief gebruik van de groene inhouden.
Taal en groene cultuurbeleving van allochtone groepen leren zien in termen van culturele, groene verrijking en nieuwe kennisbronnen.
Pluriformiteit vooral stimuleren.
Maak werk van de groene , multiculturele taal- en cultuurbeleving.
(bewerking van uitspraken in persbericht over afscheidsrede van Guus Extra)
bron teks: rede prof. dr. Guus Extra persvoorlichters@uvt.nl
bronnen afbeeldingen: uvt.nl; sourcinggate.com; zazzle.com;
veranderkunde = anders kunnen kijken (optische illusies)
Na 6 biertjes ziet alles er anders uit
Van links naar rechts lees je hier een B, terwijl je van boven naar beneden 13 ziet staan.
Dit figuur laat zien dat de context zeer bepalend is voor wat je hersenen waarnemen.
Dit figuur laat zien dat de context zeer bepalend is voor wat je hersenen waarnemen.
Indiaan of eskimo?
zondag 12 juni 2011
reflecteren op buitenschools leren
Het is de moeite waard om als mbodeelnemer voortdurend te kunnen reflecteren op loopbaancompetenties, vooral om het buitenschools leren te verbinden met binnenschools leren.
Pedagogiek als onderdeel van de beroepsvorming is belangrijk
Kwaliteitenreflectie (‘Wat kan ik?’)
Deze competentie gaat over het onderzoeken waar je goed in bent en minder goed in bent. Als je weet waar je goed in bent en wat je kwaliteiten zijn, ga je nadenken over hoe je deze kwaliteiten kunt inzetten om je doelen in je opleiding en in het werk te behalen.
Indicatoren kwaliteitenreflectie:
- Ik weet waar ik goed en minder goed in ben;
- Ik weet welke kwaliteiten ik kan inzetten voor het beroep wat ik wil gaan doen;
- Ik kan de ontwikkeling van mijn beroepscompetenties en mijn talenten in verband brengen met eerdere ervaringen in mijn leven en met beelden/inzichten over mijn toekomstige studie- en arbeidsloopbaan, c.q. levensloop.
Motievenreflectie (‘Wat wil ik en waarom wil ik dat?’)
Motievenreflectie gaat over de wensen en de waarden die van belang zijn voor je loopbaan. Bij
motievenreflectie onderzoek je wat werkelijk belangrijk is voor je in het leven. Je denkt na over wat je
voldoening geeft en wat je nodig hebt om prettig te kunnen werken.
Indicatoren motievenreflectie:
- Ik kan aangeven wat ik leuk en interessant vind aan mijn opleiding;
- Ik weet wat mijn werkwaarden zijn;
- Ik kan verband leggen tussen eerder ervaringen in mijn leven en mijn waarden;
- Ik kan verband leggen tussen beroepsdilemma’s en mijn waarden.
Werkexploratie (‘Waar vind ik werk dat bij me past?’)
Werkexploratie gaat over het onderzoeken van werk en op waar de kansen op de arbeidsmarkt zijn. Bij deze competentie ga je ontdekken wat bepaald werk van je vraagt, welke kennis en vaardigheden je hiervoor nodig hebt. Maar ook welke waarden in dit werk van belang zijn; komen deze overeen met jouw waarden? Werkexploratie gaat ook over hoe je geschikt werk kunt zoeken. Bijvoorbeeld hoe je een sollicitatiebrief schrijft, informatie kunt verzamelen en een gesprek kunt voeren.
Indicatoren werkexploratie:
- Ik heb een beeld van de inhoud van het werk waarvoor ik leer;
- Ik weet welke beroepscompetenties nodig zijn in het werk waarvoor ik leer;
- Ik weet welke leeractiviteiten ik moet ondernemen om die beroepscompetenties te kunnen ontwikkelen;
- Ik kan de organisatiecultuur van een bedrijf onderzoeken;
- Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen in het werkveld;
- Ik kan ontwikkelingen en cultuur in verband brengen met mijn kwaliteiten en motieven;
- Ik weet wat de actuele beroepsdilemma’s zijn in het werk waarvoor ik leer.
Loopbaansturing (‘Hoe bereik ik dat?’)
Loopbaansturing heeft te maken met keuzes maken en het onderzoeken van de gevolgen van die keuzes. Bij loopbaansturing ga je acties ondernemen om je eigen loopbaan te sturen. Bijvoorbeeld een bepaalde opleiding volgen waardoor je een beroep kunt uitoefenen dat bij je past. Of door met anderen te gaan praten over wat je wilt en kunt. Je plant de activiteiten die je wilt ondernemen. En je organiseert de hulp die je hierbij nodig hebt. Loopbaansturing heeft te maken met het heft in eigen hand te nemen en initiatief te tonen.
Indicatoren loopbaansturing:
- Ik kan doelen stellen voor mijn studieloopbaan;
- Ik baseer keuzes in mijn leerproces op mijn kwaliteiten en waarden, en op mijn toekomstwensen;
- Ik organiseer de begeleiding die ik nodig heb om mijn leerproces te sturen;
- Ik stem mijn mogelijkheden en (ontwikkel)wensen af de specifieke situatie van de stage/werkorganisatie en/of arbeidsmarkt;
- Ik toon mijn kwaliteiten en motieven in werk, stage en op de arbeidsmarkt.
Netwerken (‘Wie kan me daarbij helpen?’)
De loopbaancompetentie ‘netwerken’ gaat over contacten opbouwen en onderhouden die je helpen in je loopbaan. Deze contacten gebruik je bijvoorbeeld om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en welke mogelijkheden er allemaal zijn. Je kunt je contacten uit je netwerk ook gebruiken om daadwerkelijk een nieuwe baan te vinden. Het blijkt dat je de meeste kans hebt om een nieuwe baan te vinden, wanneer contacten uit je netwerk je hierbij helpen.
Indicatoren netwerken
- Ik beschik over een netwerk van mensen die mij kunnen helpen bij mijn (studie)loopbaan;
- Ik onderhoud mijn netwerk en breid het uit;
- Ik kan iets betekenen voor mensen in mijn netwerk.
bronnen: Marinka Kuijpers en Frans Meijers, Annemarie Oomen
enjoyability even belangrijk als emplyability
Bij buitenschools leren gaat het om allerlei varianten van integreren: vervlechten,verbinden, stapelen
Empowerment van leerlingen:
Hoe kun je talenten en eigen krachten van leerlingen zo goed mogelijk tot hun recht laten komen?
Welke waarden liggen er aan ten grondslag?
Sociaal aspect van leren:
Het sociale aspect van leren is belangrijk. Niet alleen de employability maar vooral ook de enjoyability van leerlingen. Het gaat niet slechts om een voorbereiding op werk, maar vooral ook om het leren functioneren in de maatschappij.
bronnen: Marinka Kuijpers, www.cps.buitenschoolsleren.nl;
daveibsen.typepad.com
Labels:
employability,
empowerment,
enjoyability,
integreren,
sociaal leren,
stapelen,
verbinden,
vervlechten
vrijdag 10 juni 2011
de vrolijkheid terug
Enkele opvallende uitspraken van hoogleraar Van der Ploeg over 'De virtuele boer', in een artikel in het blad Agrarisch Onderwijs door Ton van den Born zijn nog steeds actueel:
In het boek gaat het over de kritiek op het expertsysteem
- Agrarische scholen zijn als onderdeel van het 'expertsysteem' mede verantwoordelijk voor een onjuist beeld van landbouw en landbouwer (virtuele boer);
- Het agrarisch onderwijs moet bij toekomstige boeren zorgen voor vrolijkheid in plaats van verongelijktheid;
- Je moet hopen dat het agrarisch onderwijs niet een vertegenwoordiger is van het naijleffect, maar juist anticipeert en voorbereidt op nieuwe situaties;
- Plattelandsontwikkeling fixeren op het exotische (zorgboerderijen, ijs maken op de boerderij, theeschenkerij) of het minimalistische (een boerderijcamping met 10 tot 15 plaatsten) dan gebeurt er wel iets, maar erg indrukwekkend kan het niet zijn;
- 'Dutch farmers never have been entrepreneurs' Het zijn 'peasants' en juist omdat het 'peasants' zijn, zijn ze door de eeuwen heen zo succesvol gebleken.
bronnen: vakblad Agrarisch Onderwijs; www.jandouwevanderploeg.com
In het boek gaat het over de kritiek op het expertsysteem
- Agrarische scholen zijn als onderdeel van het 'expertsysteem' mede verantwoordelijk voor een onjuist beeld van landbouw en landbouwer (virtuele boer);
- Het agrarisch onderwijs moet bij toekomstige boeren zorgen voor vrolijkheid in plaats van verongelijktheid;
- Je moet hopen dat het agrarisch onderwijs niet een vertegenwoordiger is van het naijleffect, maar juist anticipeert en voorbereidt op nieuwe situaties;
- Plattelandsontwikkeling fixeren op het exotische (zorgboerderijen, ijs maken op de boerderij, theeschenkerij) of het minimalistische (een boerderijcamping met 10 tot 15 plaatsten) dan gebeurt er wel iets, maar erg indrukwekkend kan het niet zijn;
- 'Dutch farmers never have been entrepreneurs' Het zijn 'peasants' en juist omdat het 'peasants' zijn, zijn ze door de eeuwen heen zo succesvol gebleken.
bronnen: vakblad Agrarisch Onderwijs; www.jandouwevanderploeg.com
donderdag 2 juni 2011
wie doet wat in de social media?
Gedrag sociale media en leeftijd
Er zijn Joiners, Meekijkers, Inactieven en Criticasters. (een visuele afbeelding)
bron: Forrester Research (eind 2010) onder de Amerikaanse online gebruikers
Er zijn Joiners, Meekijkers, Inactieven en Criticasters. (een visuele afbeelding)
bron: Forrester Research (eind 2010) onder de Amerikaanse online gebruikers
Labels:
criticasters,
forrester research,
inactieven,
joiners,
meekijkers,
social media
test verbinden van buitenschools leren met binnenschools leren
Publicatie over binnenschools leren en buitenschools leren.
Het leren zal verdiepen wanneer de kwaliteit van de verbinding tussen binnenschools leren en buitenschools leren groot is. Er zijn vele instapmogelijkheden, meerdere verbindingen. We hebben een Lemniscaat ontwikkeld als model dat helpt om de kwaliteit tussen binnenschools en buitenschools leren vice versa vorm te geven.
Een cd-rom geeft een inkijkje in praktijksituaties van scholen over formeel, non-formeel, informeel en semi-formeel leren.
Test je opvatting over buitenschools leren
De test leidt niet tot een conclusie over die opvattingen maar is bedoeld om je opvattingen scherp te krijgen. Bij het lezen van het boekje ontdek je of die opvatting je helpt bij het verbinden van binnenschools en buitenschools leren of dat het je hindert.
Hieronder staan een aantal opvattingen. Deze zijn steeds geformuleerd in twee uitersten. Bedenk steeds: kies ik meer voor A of meer voor B?
Impliciete kennis
A: Kennis sla je op en op het moment dat je het moet toepassen, boor je het vanzelf aan.
B: Als je kennis niet nu leert toepassen, zal je er niets aan hebben.
Wat je bijblijft
A: Je leert wat je op jou persoonlijk indruk maakt.
B: Je leert wat belangrijk is van de vakinhoud.
Algemene vorming
A: Algemeen vorming verrijkt je leven.
B: Algemene vorming is nutteloos.
Echt leren
A: Leerlingen leren pas als ze gemotiveerd zijn, er aan toe zijn en het willen weten.
B: Leerlingen leren wanneer het programma dat aangeeft.
Leuk
A: Hoe leuker het onderwijs, des te beter wordt er geleerd.
B: Of het onderwijs leuk is, maakt niet uit voor de kwaliteit van het leren.
Abstract en praktisch
A: Je begrijpt een abstract begrip pas wanneer je het kan koppelen aan een praktische ervaring.
B: Je begrijpt een abstract begrip als je het theoretisch kan omschrijven.
Leerstijlen
A: Bij het lesgeven moet je altijd rekening houden met de verschillende leerstijlen van leerlingen
B: ·De leerling koppelt het aanbod zelf aan zijn leerstijl.
Talen leren
A: Je leert eerst de theorie of grammatica en daarna pas je het toe.
B: Je leert door te doen.
Toetsen
A: Je leert voor een toets en daarna vergeet je het.
B: Je leert omdat het interessant is.
Beklijven
A: Je leert het globaal om je te kunnen redden.
B: Je leert om het heel precies te kennen.
Organisatie I
A: De buitenwereld binnenhalen krijg je niet georganiseerd.
B: De buitenwereld binnenhalen kan altijd en overal.
Organisatie II
A: Buiten de school leren is lastig te organiseren.
B: Buiten de school leren kan altijd en overal.
Toepassen
A: Wat je op school leert, hoef je niet te kunnen toepassen in de buitenwereld.
B: Wat je op school leert, moet je kunnen toepassen in de buitenwereld.
Pendelen
A: Buiten en binnen school verbinden doe je met een goed buitenschools project.
B: Buiten en binnen school verbinden doe je door steeds heen en weer te gaan.
Vakintegratie
A: Buiten en binnen school verbinden doe je per vak.
B: Buiten en binnen school verbinden gaat het best met een aantal vakken samen.
Betekenis
A: Buitenschools leren is betekenisvol.
B: De lessen in de klas zijn betekenisvol.
bestellen: www.aps.nl; bestelnummer 962043
Abonneren op:
Posts (Atom)




